Repertoire

Monteverdi, Claudio - Maria Vespers

Vespro della Beata Vergine

 
De vorm van de Mariavespers is ontleend aan de katholieke liturgie. Daarin bestaat een vesper uit 5 psalmen, voorafgegaan door het invitatorium (uitnodiging). De psalmen worden verbonden door gregoriaanse antifonen en gevolgd door een hymne, in dit geval Ave Maris Stella, gegroet sterre der zee, waarna een schriftlezing volgt, die Monteverdi niet op muziek heeft gezet. Hierdoor is het stuk ook voor andere gelegenheden bruikbaar. Monteverdi eindigt met een Magnificat. Nu wil het geval dat afwijkingen van deze volgorde, en met name het vervangen van de antifonen door de paus verboden waren. Gelukkig hadden de steden Mantua en Venetië daarop weer vrijstellingen, dus Monteverdi heeft naast de antifonen vijf concerti tussengevoegd. Het blijft een kwestie of deze concerti nu vervangingen waren voor de antifonen of een andere functie hadden. Zo is er ook de kwestie of de vespers wel alleen voor gebruik in de kerk waren bedoeld. Ze kunnen net zo goed concertant zijn uitgevoerd, iets dat in die tijd zeker ook gebruikelijk was.
 
De Mariavespers bestaan uit 13 delen, als volgt:
1.     Domine ad adjuvandum, psalm 69 (70) : 2
2.     Dixit Dominus, psalm 109 (110), een psalm van David
3.     Nigra sum, Hooglied 1: 4-5, 2: 10-12
4.     Laudate Pueri, psalm 112 (113)
5.     Pulchra es, Hooglied 6: 4-5
6.     Laetatus sum, psalm 121 (122), een pelgrimslied van David.
7.     Duo Seraphim, Jesaja 6: 3, Johannes 5: 7-8
8.     Nisi Dominus, psalm 126 (127)
9.     Audi coelum, niet-liturgische tekst die citeert uit het Hooglied
10.   Lauda Jerusalem, psalm 147 : 12-21
11.   Sonata sopra Sancta Maria
12.   Ave maris stella
13.   Magnificat Lucas 1: 46-55, de lofzang van Maria
 
 
Psalmen
In de katholieke liturgie gezongen psalmen worden altijd afgesloten met de trinitarische Slotformule Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto: Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum. Amen. Deze zogeheten “kleine doxologie” (lofprijzing) werd ooit ingevoerd om de uitvoering van de oudtestamentische dus prechristelijke joodse psalmen in een christelijke eredienst mogelijk te maken. Monteverdi moet deze tekst dus zeker zesmaal op muziek zetten en doet dat steeds weer anders. In de kerk werden deze psalmen aanvankelijk sober en eenstemmig gezongen op gregoriaanse melodieën. Later, aan het einde van de 15e eeuw ontstaan de eerste, primitieve vormen van meerstemmigheid: in plaats van één enkele reciteertoon wordt een vierstemmig akkoord gezongen en ritmisch herhaald zo vaak als nodig is, de zogenoemde falsobordone-techniek (Fr.: fauxbourdon). Deze vorm treffen we in de Mariavespers nog regelmatig aan. Direct al in het begin, op de woorden Domine ad adjuvandam me festina. Wanneer de begeleidende stemmen zich vrijer en zelfstandiger gaan bewegen ontstaat de techniek van de cantus firmus (‘vast gezang’). De gregoriaanse melodie, meestal door een middenstem gezongen, wordt geharmoniseerd en versierd door een steeds virtuozer spel van de overige stemmen. De mogelijkheden daartoe groeien naarmate de psalmtoon in langere notenwaarden wordt gezongen. Deze in Monteverdi´s tijd al ouderwetse maar door het conservatieve Concilie van Trente aanbevolen techniek vormt de basis voor de psalm- en Magnificatzettingen in de Mariavespers. Sterker nog, als ware het ter geruststelling van de paus geeft Monteverdi zijn compositie de ondertitel Vespro della Beata Vergine da concerto composto sopra canti fermi, gecomponeerd op de - aloude - canti firmi, waarbij moet worden aangetekend dat Monteverdi dat wel op de kaft schreef, maar niet in de noten.
 
De reden van het in onbruik geraken van de cantus-firmustechniek is wel duidelijk, de voortdurende herhaling, vers na vers, van het zelfde liedje, leidt al gauw tot monotonie en legt de componist ernstige melodische en harmonische beperkingen op. Maar in die beperkingen kan zich de meester ontplooien. Monteverdi grossiert in methoden om eentonigheid te voorkomen, hij wijst de psalmtoon toe aan wisselende stemmen, varieert hem ritmisch, legt hem op per vers veranderende toonhoogten en biedt een bijna eindeloze variatie in bezetting en motieven van de polyfoon begeleidende omgeving.
 
1.     Domine ad adjuvandum
Een spectaculaire opening voor het spektakelstuk dat de Mariavespers is. De voorzanger zingt zijn invitatorium en het koor zingt in de oude falsobordone stijl, maar ritmisch vrij, haast scanderend de tekst. Daarbij wordt het koor begeleid door de fanfare uit de ouverture van Monteverdi´s eigen opera Orfeo, tweemaal onderbroken door een dansritme in het orkest alleen. Het eerste deel wordt afgesloten met een dans voor koor en orkest in het Alleluia.
 
2.     Dixit Dominus
Beginnend met een simpele melodie, bouwt Monteverdi de sfeer langzaam op tot een magistrale sfeer van de God der Wrake uit het oude testament, die zijn hoogtepunt kent bij het conquassabit. Het koor doet weer af en toe zijn falsobordones, die uitwaaieren in fraaie dansachtige melodische patronen, gevolgd door een eigen dans van het ensemble. Dit wordt afgewisseld door de solisten met even fraai versierde duetten, waarbij de bas dan weer een melodische bas is en dan weer een tegenmelodie. Het bloed en donder komen tot rust als de psalm zegt: de torrente in via bibet, Hij drinkt onderweg uit de beek, om vervolgens met geheven hoofd, propteria exaltabit caput, waarna de sfeer compleet verandert, tot en met de afwijkende toonsoort aan toe naar het Gloria, alsof we hierbij overschakelen naar een ander beeld.
 
3.     Nigra sum
Het eerste motet is een solo voor tenor. Monteverdi vult hier de suggestieve, haast erotische teksten van het hooglied aan en versterkt het effect in de muziek met abrupte versnellingen en vertragingen. Ook doorloopt de tenor bij het “Sta op”, Surge, van het uiterste dieptepunt van zijn stembereik, binnen twee maten helemaal naar de bovenkant.
 
4.     Laudate Pueri
Een achtstemmige zetting van de psalmtekst, afgewisseld met duetten voor delen van de tekst. Op een aantal tekstgedeelten doet dit stuk sterk aan opera denken, zoals bij het suscitans, oprichten, en bij erigens, verheffen. Ook de armen, pauperem, worden armzalig gezet. Het stuk eindigt weer met het gloria et cetera, maar totaal anders dan bij de eerste psalm of bij de andere psalmen. Het amen aan het eind wordt groot aangezet en steeds kleiner, onderweg naar het volgende concerto.
 
5.     Pulchra es
Weer een tekst uit het Hooglied. Monteverdi zet dit deel als een liefdesduet voor twee sopranen, de eerste sopraan geeft de melodie aan en de tweede kleurt hem in met haar strak volgende tertsen. Het averte, wend u af, onderstreept Monteverdi door het zich ook van de toonsoort van de rest van het stuk af te laten wijken, en het avolare, vluchten, gebeurt plotseling in een snelle driekwartsmaat, waar de rest van het stuk in vierkwarts (alla breve) staat.
 
6.     Laetatus sum
De bedevaartspsalm. Monteverdi schrijft dit uit in een lopende bas, die inderdaad het lopen fantastisch suggereert en die door het hele stuk steeds weer terugkeert. Daarboven een blije melodie voor het leatatus sum, verheugd ben ik. Het is tegenwoordig moeilijk in te denken welk een prestatie Monteverdi levert met dit stuk, waarin hij erin slaagt in een groot stuk van rond 6 minuten een eenheid te bewaren rond en toch zoveel verschillende muzikale thema’s te gebruiken. Dat was in zijn tijd nog niet eerder vertoond. Daarnaast bouwt hij het stuk op door te beginnen in enkele bezetting met de tenoren, daarna een duet, een trio enzovoort tot de volle zesstemmigheid, nog voor de afsluiting in het gloria.
 
7.     Duo Seraphim
Dit motet is het meest uitgebreide en uitdagende van de motetten in de Mariavespers. Monteverdi geeft een unieke sfeer van wijding en mystiek, met name waar de drie-eenheid wordt voorgesteld door de drie tenoren unisono te laten zingen. Daarnaast zit het stuk vol met de meest ingewikkelde en tot in detail uitgeschreven versieringen.
 
8.     Nisi Dominus
Deze psalm is dubbelkorig gezet, waarbij beide koren nagenoeg dezelfde noten zingen, met daaronder een toen al ouderwetse cantus firmus baslijn. Zij het dat zij dit niet tegelijk zingen, daarmee een extra stereofonisch effect gevend. De twee tenorpartijen, die de melodie zingen beginnen een kwart na elkaar, als een echo kort op het eerste geluid. De koren zijn daarbij in de ideale situatie ook ruimtelijk van elkaar gescheiden. Vervolgens zingen de beide koren na elkaar in eerste instantie dezelfde tekst, totdat het net lijkt alsof een koor het zat is en alvast begint voordat het andere koor is uitgezongen. Dit gaat steeds verder, met het effect dat het lijkt of ze elkaar proberen te verdringen. Tenslotte komt het middendeel tot een climax, in een verwijzing naar wat hij later zijn stile concitato, driftige of opgewonden stijl zou noemen voor het non confondetur. Daarop volgt een plotseling breedte in het gloria, waarna ook het zingen met een kwartnoot verschil in de tenoren weer terugkomt.
 
9.     Audi coelum
Echostukjes waren populair in de 17e eeuw in Italië, zowel in de kerk als in de opera. Daarnaast speelt hij in het stuk ook nog de gelijkenis tussen de zee, mária, en María, tussen benedicam, in prijs haar en dicam, dat zeg ik. Het koor speelt de rol van de oneindige schare volgelingen, sequamur, wij volgen.
 
10.   Lauda Jerusalem
Weer een tweekorige zetting, maar met een bijzonderheid. De tenoren hebben alle tegelijk een zelfde melodie, waar de twee koren omheen zingen. Aardig daarbij is dat de cantus firmus wordt verzorgd door de sopranen, met de lagere stemmen in ritmische begeleiding. Het stuk sluit met een bijzonder weelderig amen, in een stijl die twee eeuwen vooruitloopt op Beethovens Gloria in zijn Missa Solemnis.
 
11.   Sonata sopra Sancta Maria
Een achtstemmig, grotendeels instrumentaal stuk, waarin Monteverdi een melodische lijn neemt, asl een soort van fanfare, met steeds weer nieuwe uitwerkingen en ritmische motieven. Daarboven wordt elf maal de heilige Maria aangeroepen om voor ons te bidden, Sancta Maria ora pro nobis. Een introductie van het specifieke Mariagedeelte van de Mariavespers, Ave maris stella.
 
12.   Ave maris stella
Een juweeltje voor het grote Magnificat. Het begint tweekorig met een traditionele zetting in een vierkwarts ‘pavane’ (formele dansvorm) zetting. Op geen enkel moment wordt de tekst in de muziek specifiek ondersteund. Het wordt gevolgd door een aantal coupletten die afwisselend door de beide koren en door solisten worden gezongen in een dansant galliarde tempo in driekwartsmaat, en tussenspel van het ensemble. Het laatste couplet is weer dubbelkorig, langzaam en statig.
 
13.   Magnificat
Het laatste deel bestaat uit twaalf verzen en eigenlijk even zovele composities, afwisselend voor koor en voor solisten met begeleiding. De stijl is een prachtige vermenging van de primo practica en de secondo practica, de oude muziek van de renaissance, polyfonie en de nieuwe muziek van de barok door elkaar en in elkaar vermengd. De structuur is strak volgens de oude regels, strakker zelfs dan bij de polyfone tijdgenoten, maar Monteverdi omspeelt dit met ensemble en andere stemmen op een manier die het stuk bijzonder veel expressie geeft, in lijn met de tekst. In het gloria wisselen twee tenoren hun virtuoze coloraturen met elkaar af, met daarboven de cantus van de hoge stemmen in een haast tijdloos zwevend gloria patri en filio. Deze tijdloze sfeer is de perfecte ondergrond voor de climax van het laatste vers, zoals het was in den beginne en nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen, amen.

< vorige pagina