Repertoire

Pärt, Arvo - Kanon Pokajanen, Ode III

Ode III

Nyest svyat, yakozhe Ti,
Gospodi Bozhe moy,
voznyesïy rog vyernïh Tvoih, Blazhe.
u utwerdivïy kamyeni
ispvyedaniya Tvoyyego.
Pomiluy mya, Bohzhe, Pomiluy mya.
 
Vnyegda postavlyeni budut prestoli
nasudishchi strashnyem, togda vsyeh
chelovyek dyela oblichatsya;
gpryetamo bdyet greshnïm,
vmuku otsïlayemïm;
ito vyedushchi, dushe moya,
pokaysya ot zlïh dyel tvoih.
Pomiluy mya, Bohzhe, Pomiluy mya.
 
Pravyednitsï vozraduyutsya,
a greshnii vosplachutsya,
togda niktozhe vozmozhet
pomoshchi nam, no dyela nasha osudyat
nas; tyemzhe prezhddye kontra pokaysya
ot zlïh dyel tvoih.
Slava Otsu i Sïnu
i Svyatomu Duhu.
 
Uvï mnye vyelikogreshnomu,
izhe dyelï i mïslmi oskvernivsya,
ni kapli slyez imyeyu ot zhestosyerdiya;
I nïnye i prisno
i vo vyeko vyekov. Amin.
 
Sye, vzïvayet, Gospozhe,
Sïn Tvoy, i pouchayet nasna dobroye,
as zhe greshnïy dobra vsyegda byegayu;
no Tï, Milostivaya pomiluymya,
da pokayusya ot zlïh moih dyel.
Gospodi pmiluy.
 
Pomïshlayu dyen strashmïy i plachusya
dyeyaniy moih lukavïh:
kako otvyeshchayu Byezsmyertnomu
Tsatyu, ili koim dyerznovyeniyem
vozzryu na sudiyu.
bludnïy az? Blagoutrob nïy Otche,
Sïnye Yedinoronïy i Dushe Svyatïy,
pomiluy mya.
Slava Otsu i Sïnu
i Svyatomu Duhu
i nïnye i prisno
i vo vyeko vyekov. Amin.
 
Svyazan mnogimi nïnye plenitsami
grehov i sodyerzhim lyutïmi strastmi
i byedami, k Tye bye pribyegayu,
moyemu spaseniyu, i vopiyu, pomozi mi,
Dyevo, Mati Bozhiya.
 
Ode III
Er is niemand zo heilig als U,
o Here mijn God.
U die de hoorn der gelovigen verhoogt, o
lankmoedige, en ons houvast heeft gegeven
op de rots der belijdenis tot u.
Erbarm u, o God, erbarm U over mij!
 
Als op de jongste dag de tronen worden
opgesteld voor het strenge gerecht,
worden de werken van alle mensen zichtbaar.
Wee de zondaren die verbannen worden
en kwellingen ondergaan.
Omdat je dit weet mijn ziel,
doe boete voor je slechte daden.
Erbarm u, o God, erbarm U over mij!
 
De rechtvaardigen zullen zich verheugen,
de zondaren echter wenen.
Dan kan ons niemand meer helpen,
maar wij zullen worden veroordeeld
naar onze daden.
Doe daarom boete voor het einde.
Ere zij de Vader en de Zoon
en de Heilige Geest.
 
Wee mij zondaar, die zich heeft bevlekt
door daden en gedachten. Stijg op mijn
ziel en doe boete voor je misdaden.
Nu en immer
en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
 
Zie Gebieder,
Uw zoon roept en leert ons het goede;
ik, zondaar, vermijd echter het goede.
Maar U, Barmhartige, erbarm U over mij
opdat ik boete doe voor mijn daden.
Heer, erbarm U over mij!
 
Ik overdenk het streng gerecht en beween
mijn boze werken.
Hoe zal ik de Onsterfelijke Koning antwoorden?
Of met welk vast vertrouwen
zal ik de rechter aanschouwen, ik ontuchtige?
Barmhartige Vader,
Eniggeboren Zoon en Heilige Geest,
erbarm U over mij!
Ere zij de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest,
nu en immer
en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
 
Vastgeraakt in de vele valstrikken der
zonden en in de ban van wilde hartstochten
en gevaren, vlucht ik tot U,
mijn redding, en roep: Help mij,
o Maagd, Moeder van God.

< vorige pagina